De luie ambtenaar

Jelle RinzemaHartmansblogs0 Comments

Over de schrijver
Eveliene Wassen

Eveliene Wassen

Facebook

Het is 1:34 uur in de nacht. Of ochtend. Het is maar hoe je het bekijkt. De slaap wil me niet omarmen en mijn gedachten tollen in het rond. Onder andere over mijn cliëntenbestand dat op me wacht.

Benoem ik hem/haar nu goed? Cliënt zeggen we onderling als collega’s. De burger. Laat ik zeggen ‘inwoner van de gemeenten met een hulpvraag‘. Tijdens mijn werk in het Sociaal Wijkteam kom ik ze tegen. In allerlei soorten en maten. Met de meest uiteenlopende problematieken en in alle leeftijdscategorieën. En nog steeds ben ik iedere dag onder de indruk van de complexiteit van de problematiek die zich in het leven van een willekeurig persoon (bij wijze van spreken mijn buurman) kan voordoen.

De werkdruk is hoog. Dat komt enerzijds door de toename in meldingen (het lijkt alsof er steeds meer mensen met zorgvraagstukken bijkomen). Anderzijds door de steeds hogere mate van complexiteit. En dan heb ik het niet alleen over de aard van de uiteenlopende mogelijkheden aan voorzieningen (van woningaanpassingen tot begeleidingsvraagstukken;  elektrische fietsen schijnen ook in trek te zijn trouwens), maar ook alles ertussenin: van de wirwar van wetten als WLZ en zorgverzekeringswet tot de betalingssystemen van het CAK en de SVB.

Ondanks de systemen en regeltjes, voelen wij ons in het wijkteam meer hulpverlener dan ambtenaar. Omdat de drive om je voor mensen (met zorgen) in te spannen groter is dan de priemende oogjes van het regelneefje. Doorpakken met die handel, want ja we hebben het over mensen, we werken mét mensen!

Als ik in een privésituatie wel eens word gevraagd naar mijn werk, volgt standaard de opmerking: ‘ah weer zo’n luie ambtenaar die niks anders te doen heeft dan koffie drinken en regeltjes opstellen’. Waarop ik meestal zucht en vaak antwoord: ‘tuurlijk en hé, niet doorvertellen dat er een hangmat onder mijn bureau ligt voor het siëstamoment’.

En af en toe, heel af en toe, zijn er ook inwoners die denken dat ze je eerst nog even moeten afstoffen om je op gang te helpen.

Een fictief voorbeeld: Aan de lijn (laat ik zeggen, uhm) de dochter van de buurman.

‘Eindelijk, u belt terug, dat werd tijd’.

Ik beaam dat we elkaar vaker hebben geprobeerd te bellen en dat we elkaar blijkbaar lastig te pakken krijgen.

‘Niet iedereen is ambtenaar mevrouw, er zijn ook mensen die zelfstandig ondernemer zijn en die hebben andere werktijden dan van 9.00-17.00 uur.’

Ik zeg dat dat zo is en vraag haar wat ik voor haar kan betekenen.

‘Nou, kunt u mij eens vertellen hoe het zit met die eigen bijdrage? Vindt u het nog normaal dat mijn vader zo’n hoog bedrag moeten betalen en dat wel 13 keer per jaar in plaats van maandelijks?’

Ik luister en hmmm om mevrouw de kans te geven verder te gaan.

‘Weet u wel dat de generatie van mijn ouders dit land heeft opgebouwd en dat zij nu de prijs betalen  voor wat ze voor uw generatie hebben achtergelaten?’

Ik luister nog steeds, maar merk dat ze mijn irritatiezone betreedt.

‘Al dat geld dat naar de vluchtelingen gaat, daar hebben we het nog niet over gehad?! En dan nog wat, kunt u er spoed van maken, want het duurt allemaal veel te lang!’

Ik stok langzaam en voel de hoorn tegen mijn oor gloeien. Ik probeer voor de derde keer (de eerste twee keren waren tijdens de eerder afgelegde huisbezoeken) uit te leggen dat ik dit land niet geschapen heb en me bewust ben van de dingen waar zij en haar ouders tegenaanlopen, maar dat ik helaas niks aan de situatie kan veranderen (en uit fatsoen houd ik me in om niet te zeggen dat ik geen politicus ben en dat ook niet ambieer). Uit respect voor haar zorgen conformeer ik me aan haar gevoelens maar ik voel naast m’n dichtgeknepen keel de frustratie in mijn maag opborrelen. Nadat ze bijna een half uur lang aan de telefoon is uitgeraasd, beëindig ik netjes het gesprek en geef ik haar twee keuzes die ze kan maken: stoppen met de hulp of accepteren dat de situatie is zoals ze is en dat ik de regels niet kan veranderen. In de tussentijd, waarin ik me steeds netjes en begripvol bleef opstellen, raast de adrenaline door mijn lijf, omdat ik al lang een berg werk verzet had kunnen hebben.

Laat ik eerlijk zijn, ik begrijp haar frustraties. Want als mens ondervind ik in mijn privésituatie dezelfde irritaties:

‘Mevrouw, uw zoontje zou het beste geholpen zijn bij logopedie, maar u heeft wel eerst een verwijzing van de huisarts nodig alvorens te starten’.

‘Ja inderdaad mevrouw, uw zorgverzekering dekt de kosten voor een plaswekker, mits u een verwijzing heeft van de huisarts en alleen afneemt bij de bij ons aangesloten leveranciers’.

‘Mevrouw, kunt u nogmaals kopieën opsturen van die factuur, het is bij ons zoekgeraakt’.

‘Excuses dat het allemaal zo lang duurt mevrouw’.

Geduldig wacht ik dan maar af. Soms verlies ik mijn geduld en vraag ik door totdat ik een naam van de medewerker en een datum en tijdstip van terugbellen heb afgedwongen. Ja mevrouw, dochter van de buurman, generatie babyboom, ook ik loop hier tegenaan. Ook ik moet geduldig zijn. Wetende dat mensen hun best doen en het nu eenmaal tijd in beslag neemt om een en ander geregeld te krijgen.

Regelgeving, de terugkerende vraag voor welke doelgroepen de gemeente verantwoordelijk is (omdat we binnen de WMO steeds apartere gevallen tegenkomen als vervuilde woningen, verwarde mensen en oud-reclasseringscliënten, met de vraag: ‘wat moeten we hier nu mee?’) en de  complexiteit van casussen zorgt voor stijgende werkdruk. Stroperigheid geeft het idee van luiheid. Echter, wij zijn grootverbruikers van Dreft en spoelen continu alle plak van ons af, om maar te kunnen rennen en vliegen. ‘Door, door, door’ is het motto.

En als dan de dochter van de buurman (morgen is het een oudere dame die dezelfde ideeën is toebedeeld en meent dat ze de advocaat van de ouderenbond moet inschakelen) weer belt om zich leeg te spugen over het feit dat ik geen spoed maak van zijn zaak, neig ik de volgende keer te zeggen: ‘luister, je praat tegen een luie ambtenaar die vandaag nog niet genoeg koffie heeft gehad en nu eerst even een powernapje gaat doen om bij te komen van dit gesprek’.

Gelukkig zijn er ook mensen die wel zien hoe hard je werkt en dankbaar hun scootmobiel komen showen. Je wanhopig bellen en aan het eind van het gesprek bijna door de hoorn heen een knuffel willen geven, omdat ze zo dankbaar zijn het gevoel te hebben er in al hun ellende niet alleen voor te staan.  ‘Het lichtpuntje van de dag’ zo hoor ik wel eens.

En dat ik dát verschil mag maken, en hen het gevoel geef dat we sámen naar een oplossing zoeken, daar, ja daar doe ik het voor!

Als dan ‘mijn vaste cliënt met zijn tractor-rolstoel’ ons op maandagmorgen een zelfgebakken cake komt brengen, en je vervolgens op maandagmiddag ons wijkteam komt binnenlopen en ons treft in een kringgesprek (alias casuïstiekbespreking, hét overleg van de week) met koffie en cake dan zeg ik: ‘Cheers, op de luie ambtenaar en op alle dankbare inwoners!’

Reageer op dit artikel